Vrijstelling ex artikel 19 WRO: case closed


De Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State heeft zich uitgesproken over de vraag hoe moet worden omgegaan met een bouwaanvraag die wordt gedaan na 1 juli 2008 terwijl vóór 1 juli 2008 een verzoek om vrijstelling ex artikel 19 lid 2 WRO is gedaan. Via de Crisis- en herstelwet wordt het gewraakte twijfel brengende artikel in de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening gerepareerd.

Na de inwerkingtreding van de nieuwe Wro ontstond al gauw onduidelijkheid over de vraag wat de status was van een onder de WRO verleende vrijstelling ex artikel 19 lid 2. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem was in eerste instantie van oordeel dat een dergelijke vrijstelling zijn werking na 1 juli 2008 zou hebben verloren. Het gevolg daarvan zou zijn dat dan ten behoeve van een bouwaanvraag een projectbesluit zou moeten worden genomen. De Voorzieningenrechter Utrecht besliste echter op 17 juli 2009 dat een dergelijke vrijstelling, ingediend vóór 1 juli 2008, zijn werking niet verliest onder de Wro in geval na 1 juli 2008 een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend.

Aan deze verwarring is definitief een einde gekomen met de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2010 (200905156/1/H1), waarin de Afdeling het oordeel van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht heeft bevestigd. De wetgever heeft de invoering van de Crisis- en herstelwet aangegrepen om de Invoeringswet Wro op dit punt te repareren. In de Memorie van Toelichting bij de Chw wordt hierover opgemerkt:
 
“ In de praktijk is twijfel gerezen over de bedoeling van artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening. Om de bedoeling van de wetgever beter tot uitdrukking te brengen wordt voorgesteld aan dat artikel een derde lid toe te voegen. In dat lid wordt geregeld dat indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro reeds een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is ingediend, en die vrijstelling (al dan niet na inwerkingtreding van de Wro) is verleend, ook na de inwerkingtreding van de Wro nog een besluit tot verlening van een bouwvergunning in overeenstemming met die vrijstelling kan worden genomen. Dat betekent dat de op basis van de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende vrijstellingen, ook onder de werking van de (nieuwe) Wro onverminderd hun werking behouden. Voor bouwvergunningen die zijn aangevraagd na de datum van 1 juli 2008 zijn eventuele strijdigheden met het bestemmingsplan, dankzij deze eerder verleende vrijstellingen dus weggenomen. Op aanvragen om een (lichte) bouwvergunning dient in zo’n situatie ingevolge het eerste lid van artikel 46 van de Woningwet binnen (6 of) 12 weken te worden beslist. Aan het derde lid van artikel 46 wordt niet toegekomen, nu zich vanwege de verleende vrijstelling geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel, c, van de Woningwet.
Uit het vorenstaande volgt dat het artikel dient terug te werken tot en met de datum van inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (zijnde 1 juli 2008). Dit wordt geregeld in artikel 5.10, eerste lid, van dit wetsvoorstel."

Hiermee kan worden vastgesteld dat de discussie over artikel 19 lid 2 WRO vrijstellingen over en uit is.

Mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers