Normaal maatschappelijk risico en voorzienbaarheid bij planschade, volgens de Afdeling

Planschade die binnen het normaal maatschappelijk risico valt, blijft voor rekening van de aanvrager. Dit principe gold al onder de (oude) WRO – zij het enkel voor de berekening van inkomensschade – op basis van jurisprudentie. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceerde met haar inwerkingtreding per 1 juli 2008 deze voorwaarde expliciet in de wet èn legde een forfait vast van in ieder geval 2% van het inkomen respectievelijk de waarde van een onroerende zaak, onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, dat voor rekening van de aanvrager blijft.
 
Op grond van de overgangsregeling in de Invoeringswet Wro (artikel 9.1.18 lid 2), geldt de forfaitregeling niet voor aanvragen die vóór 1 september 2010 zijn ingediend. In de praktijk ontstond discussie over de vraag of bij dergelijke aanvragen überhaupt aftrek vanwege het normaal maatschappelijk risico diende plaats te vinden. Deze discussie werd nog eens gevoed vanwege het verschil in opvatting hieromtrent van de rechtbank Breda en de rechtbank Den Bosch.
 
Laatstgenoemde rechtbank overwoog in haar uitspraak d.d. 28 september 2011 (LJN BT6849):
“Uit de omstandigheid dat de wetgever heeft gewild dat dit forfait vooralsnog niet wordt toegepast met betrekking tot schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro is ontstaan, leidt de rechtbank af dat tot dat moment evenmin toepassing behoort te worden gegeven aan artikel 6.2, eerste lid, van de Wro.” Daar tegenover stond de uitspraak van de rechtbank Breda d.d. 16 maart 2011 (LJN BP8564), waarin werd overwogen, dat “eventuele binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van [naam] moet blijven.”
 
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft voor een belangrijke verduidelijking gezorgd in de uitspraak d.d. 29 februari 2012 (LJN BV7254):
“Omdat het besluit dat de door [appellant] gestelde schade zou hebben veroorzaakt in de periode tussen 1 september 2005 en 1 juli 2008 in werking is getreden en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade in de periode tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010 is ingediend, brengt artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wro met zich dat artikel 6.2 eerste lid, van de Wro op de aanvraag van toepassing is.Derhalve blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van [appellant]. Dat artikel 6.2 tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro niet op de aanvraag van toepassing is, doet daaraan niet af.
 
Voor de vraag wanneer er volgens de Afdeling sprake is van schade die valt onder het normaal maatschappelijk risico, is overweging 2.11.1 interessant:
“De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Omstandigheden die in acht worden genomen zijn verder de aard van de maatregel en de aard en de omvang van het daardoor veroorzaakte nadeel.”
 
Van belang is dus te realiseren dat ook bij het ontbreken van iedere ‘voorzienbaarheid’ als bedoeld in artikel 6.3 Wro – bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een concreet beleidsvoornemen – het toch kan zijn dat schade als gevolg van een planologische maatregel (deels) voor rekening van de aanvrager blijft, omdat deze een ontwikkeling mogelijk maakt die men nu eenmaal – gelet op de omstandigheden – had kunnen verwachten. 
  
Door: mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers - mei 2012

Contactpersonen: mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers en mr. A.J.L. Claassen